Nieuw werk
Ode aan Jan
Wie terug komt,
maar nooit blijft,
verdwijnt
en toch beklijft,
als water
langs de stad.
Wat ik werkelijk
nooit begreep,
maar me altijd
weer iets deed,
juist toen de dood
in trad.
Springlevend
in zijn taal,
zelfs in een stad
zo stug,
waar niemand meer vergeet,
“Wat blijft komt nooit terug”.
Sneeuw
Als een vacht
beweegt ze
over heuvels.
Glanzend,
fier in de wind.
Zij die
nu haar ogen
opent,
de lente voelt,
maar geen benul
heeft dat ze
is,
geen besef dat
ik haar nu
al mis
en weet dat
straks
de sneeuw
weer komt.
Onder Ogen
Tranen opgehoopt in groeven,
blauwe randen,
oud verdriet.
Zout uit weggespoelde dromen.
Jaarringen, die zij niet sliep.
Maar als geesten, spoken,
weggedoken,
verdedigt zij zich niet.
In de huid gekropen
van een leven
dat zij niet
onder ogen ziet.










